Ognissanti Madonna, 1306-1310
Tempera op paneel, 325 x 204 cm
Florence, Uffizi

Huwelijk van Maria en Jozef
Fresco, 200 x 185 cm
Padua, Scrovegnikapel, 1304-1306

Leven van de heilige Franciscus, voor 1300
Franciscus doet afstand van zijn bezittingen
Fresco, 270 x 230 cm
Assisi, Basilica di San Francesco, Bovenkerk

Leven van de heilige Franciscus, voor 1300
Fresco, 270 x 230 cm
Stigmatisatie van Franciscus
Assisi, Basilica di San Francesco, Bovenkerk

Detail uit: Dood van Franciscus, 1317-28
Fresco, 280 x 450 cm
Florence, Santa Croce, Bardi-kapel

Giotto di Bondone

De schaarse documenten over Giotto verschaffen meer informatie over zijn onroerend goed en de daarmee samenhangende financiële perikelen dan over zijn artistieke productie.

Veel van de gegevens over het leven en de werken van Giotto - van alle vroege Italiaanse schilders overigens - hebben we te danken aan De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, uit 1568 van Giorgio Vasari.

Giotto werd geboren te Vespignano vlakbij Florence. Zijn vader, Bondone, was een landarbeider en stuurde zijn zoon weg om schapen te hoeden. Maar 'door natuurlijke aanleg' zette hij zich tot tekenen en werd hij ontdekt door de grote schilder Cimabue.

Cimabue nam Giotto mee naar Florence om hem het vak van het schilderen te leren.

Deze leermeester werd al als een vernieuwer van de schilderkunst gezien. Zijn Maestá - tronende Madonna op een groot paneel - laat een steeds natuurlijkere weergave van het menselijk lichaam zien. In een Maestá die Giotto in 1310 voor de kerk van de Ognisanti maakte, is het proces van vermenselijking en meer realisme nog duidelijker geworden.

Rond 1300 krijgt Giotto opdrachten voor altaarstukken in verschillende kerken. In Toscane en Umbrië is hij dan een beroemd en veelgevraagd kunstenaar.

Tussen 1304 en 1306 krijgt Giotto een opdracht in Padua, van de rijke bankier Enrico Scrovegni.

Bij het nieuwe familiepaleis behoort ook een kapel en deze moet Giotto decoreren met scénes uit het apocriefe Leven van Maria en uit het canonieke Leven van Christus.

Op de achterwand bevindt zich een Laatste Oordeel. Op dit fresco is de opdrachtgever afgebeeld. Enrico Scrovegni knielt aan de voeten van de Gekruisigde Christus en biedt hem een miniatuur van zijn kapel aan.

Bij sommige scénes is duidelijk te zien dat Giotto zijn figuren volume geeft - plasticiteit - en dat hij door het gebruik van een architectuur of landschap op de achtergrond een zekere ruimtelijkheid weet te bereiken.

Hij besteedt steeds meer aandacht aan de menselijke reacties en gevoelens van de personages. Mooie voorbeelden zijn de Ontmoeting van Joachim en Anna bij de Gouden Poort op de linkerwand en de Judaskus in de fresco's op de rechterwand.

De frescocyclus met de Legende van Sint Franciscus in de bovenkerk van San Francesco in Assisi - van de hand van Giotto en ateliermedewerkers - wordt beschouwd als een enorme stap in de ontwikkeling van het realisme in de schilderkunst. De stijl van de fresco's is door de verschillende uitvoerders nogal verschillend, maar gezamenlijke kenmerken zijn te vinden in de neiging naar ruimtelijkheid, de aandacht voor natuurlijke plooival en het aanzetten van de gezichtsuitdrukking door bijvoorbeeld zwartomrande ogen.

Franciscus doet afstand van zijn bezittingen

De dramatische indruk van het voorval uit het leven van Franciscus wordt nog versterkt door de scherpe afbakening van de scheiding tussen de twee groepen en door de verstarring in de beweging van de vader die op Franciscus wil toetreden.

Op deze voorstelling worden de twee groepen geaccentueerd door de gebouwen achter hen - de ruimte tussen hen is een onoverbrugbare kloof waarover Franciscus niet meer kan terugkeren. Franciscus kijkt niet naar zijn woedende vader, maar naar de hand – spreekgebaar - van zijn hemelse Vader. De gebouwen zijn weergegeven in driedimensionale verhoudingen en de lichamen van de figuren zijn duidelijk onder de plooienval van de gewaden aangegeven.

Franciscus ontvangt de stigmata

Het hoogtepunt - in zowel Franciscus' leven als in de schilderingen - is de episode van zijn stigmatisatie op de berg Alverna in september 1224, toen de vijf kruiswonden van Christus zich in zijn eigen lichaam vormden. Giotto heeft de scène driemaal geschilderd en hij heeft zich – afgezien van kleine wijzigingen - daarbij gebaseerd op de beschrijving van Bonaventura.In deze voorstelling heeft de Christusfiguur wel de armen uitgestrekt, maar het kruis zelf, waarover Bonaventura het heeft, is niet afgebeeld. De scène speelt zich af tegen een hoge bergwand, en blijft onopgemerkt door Broeder Leo, de aandachtig lezende monnik rechtsonder in beeld.

De twee gebouwtjes zijn de cellen waarin Franciscus verbleef, een cel waarin hij sliep en bad en een tweede cel met een vuurhaard, waar hij kon eten. Beide bevonden zich op geruime afstand van de verblijfplaats der anderen. […]

Rond 1325 krijgt Giotto van twee rijke en machtige bankiersfamilies opdracht voor het beschilderen van de familiekapellen in de gotische franciscanenkerk Santa Croce in Florence.

In de kapel van de familie Bardi schildert Giotto het Leven van Franciscus. Sommige scénes zijn vrijwel op dezelfde manier weergegeven als in de bovenkerk van Assisi.

In de Peruzzikapel bevinden zich al secco schilderingen die er nu slecht aan toe zijn - de verf is er in de loop van de tijd afgevallen - met links het Leven van Johannes de Doper en rechts het Leven van Johannes de Evangelist.

Aan het einde van zijn leven is Giotto nog werkzaam geweest als Capomaestro, hoofd van de bouwplaats van de kathedraal van Florence. Vooral het ontwerp van de klokkentoren wordt aan Giotto toegedacht. Hij stierf in 1337 en is, als een van de weinige Florentijnen, begraven in de kathedraal.