Hans Memling, Batseba, 1485
Olieverf op paneel, 191 x 84 cm
Stuttgart, Staatsgalerie.

Sandro Botticelli, Terugkeer van Judith, ca. 1472
Olieverf op paneel, 13 x 24 cm
Florence, Galleria degli Uffizi

Historiebijbel, Utrecht, ca. 1430
Miniaturisten: Alexander Meester
Nederlands, 64 x 90 mm
Den Haag, Koninklijke Bibliotheek
Fol. 37 recto: Juda geeft zijn staf en ring aan Tamar

Historiebijbel, Utrecht, ca. 1467
Miniaturist:Meester van de vederwolken
Nederlands, 85 x 85 mm
Den Haag, Koninklijke Bibliotheek
Fol. 166 verso: Ruth leest aren op de akker van Boaz

Bijbelse vrouwen in de middeleeuwse schilderkunst

In deze lezing komen bekende en minder bekende bijbelse vrouwen aan bod, voor het grootste gedeelte uit het Oude Testament.

Vijf vrouwen - Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en Maria - heb ik ontleend aan het adventslied Lied van de voormoeders.

De naam van Tamar staat met die van drie andere vrouwen uit het Oude Testament in de stamboom van Jezus, in het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Matteüs. In een dergelijk genealogisch overzicht staan in een patriarchale maatschappij meestal alleen maar mannen, die worden gepresenteerd volgens het schema X verwekte Y. In Matteüs 1 vinden we echter Tamar, Rachab, Ruth en Batseba. Haar naam wordt niet genoemd, ze wordt enkel vermeld als de vrouw van Uria en de moeder van Salomo.

Opvallend is hoe veel van die - vaak buitenlandse - vrouwen een ommekeer in de geschiedenis van Israël teweegbrachten.

Het verhaal van Juda en Tamar wordt verteld in Genesis 38.

Als weduwe van Juda's oudste zoon Er had Tamar volgens goed gebruik een 'zwagerhuwelijk', leviraatshuwelijk - moeten sluiten met Onan, de jongere broer van haar man. Omdat Onan niet wilde meewerken werd hij door God met de dood gestraft. Na Onan had Juda nog een zoon Sela, maar hij voelde er niets voor die met Tamar te laten trouwen.
Zonder man en kinderen en volgens de toen heersende opvattingen een waardeloze vrouw, besluit Tamar haar lot in eigen handen te nemen. Vermomd als hoer en door een sluier onherkenbaar gaat Tamar langs de weg zitten, en weet zij haar schoonvader te verleiden. Omdat hij voor haar diensten niet meteen kan betalen, vraagt zij aan Juda "het snoer met uw zegel en de staf die u in de hand hebt' als onderpand. Daarmee kon ze, toen ze later zwanger bleek, aantonen dat Juda de verwekker moest zijn. Peres, de oudste van de tweeling die Tamar kreeg, was een voorvader van Jezus.

De geschiedenis van Rachab, de moeder van Boaz, wordt verteld in het boek Jozua.

Als opvolger van Mozes was Jozua diegene het volk in Kanaán binnenvoerde. Hij begon met het zenden van twee spionnen naar Jericho. Die konden dank zij de hulp van de hoer Rachab hun missie volbrengen.
Nadat men de Jordaan op wonderbare wijze was overgestoken, werd op even wonderbare wijze Jericho ingenomen. Na de inname werd de bevolking over de kling gejaagd.
Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met iedereen die tot haar familie behoorde. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven.

Ruth, overgrootmoeder van David.

Het boek Ruth is helder opgebouwd. In de proloog wordt verteld hoe het komt dat de Moabitische Ruth in Moab is getrouwd met een Israëliet. Wanneer haar man gestorven is, vergezelt zij haar schoonmoeder Noömi naar Betlehem in Juda. Daar leert ze Boaz kennen, een familielid van haar overleden man. Noömi bedenkt een plan om Boaz ertoe te brengen dat hij zijn verplichtingen tegenover zijn familie op zich neemt zoals dat bij een 'losser' past. Boaz trouwt met Ruth, en zo zal deze Moabitische vrouw de overgrootmoeder van koning David worden.

Batseba wilde ik hoe dan ook opnemen, al was het alleen maar vanwege het prachtige schilderij van Hans Memling.

Het schilderij Batseba in bad van Hans Memling is waarschijnlijk ontstaan als voorbeeld van onrechtvaardig gedrag. Het vormde de vleugel van een triptiek van het type Gerechtigheidsbeeld in de rechtszaal van een stadhuis. Als verleidingsscéne had het bad van Batseba, hoe onschuldig zij ook was, een plaats in de series met Vrouwenlisten, naast Judit en Jaël.

Judit, 'de jodin', redt haar volk door de moord op de legeraanvoerder Holofernes.

De illustraties bij het bijbelboek Judit beperken zich meestal tot de meest dramatische episode van het verhaal: de onthoofding van de vijandige legeraanvoerder Holofernes en de triomfantelijke terugkeer van Judit naar Betulia.

Judit komt, samen met Jaël, ook voor als prototype van Maria in het het typologische geschrift Speculum humanae salvationis of Spiegel der menschelijke behoudenisse. De vrouw als redster van haar bedreigde volk is het gezamenlijke kenmerk.

In tegenstelling tot de vele voorstellingen in de miniatuurschilderkunst, zijn er in de paneelschilderkunst tot de vijftiende eeuw weinig of geen afbeeldingen bekend van de geschiedenis van Judit en Holofernes. In de schilderkunst van de Renaissance en later komt Judit veelvuldig voor als personificatie van de heldin die door haar schoonheid en haar listigheid de vijand van de staat verslaat.

Vrouwelijke verleidingskunst, list en bedrog, kunnen ook positief worden uitgelegd als ze ten dienste staan van de vernietiging van de vijand van Israël.

Judit en Ester, bijvoorbeeld, komen ook voor in de populaire serie Listige vrouwen, waar ze als negatief voorbeelden getoond worden. Hun positief, zelfs uitgesproken heldhaftig imago krijgen zij omdat zij immers in staat waren door hun verleidingskunst en sluwheid geduchte, en vooral ook goddeloze tegenstanders van het volk Israël uit te schakelen.

We besluiten de lezing met de ontmoeting van twee zwangere vrouwen uit het Nieuwe Testament: Elisabet, de moeder van Johannes de Doper en Maria, de moeder van Jezus.

De vele kunstwerken - miniaturen en paneelschilderingen - die aan de orde komen getuigen van de inventiviteit waarmee de middeleeuwse mens de bijbelverhalen heeft verwerkt en doorgegeven.

De bijbelse vrouwen fungeerden als exempla voor de eigen tijd, voorbeelden van eervol of afkeurenswaardig gedrag, paradoxaal genoeg soms van beide tegelijk.