Pontificale van Renaut de Bar
Metz of Verdun, 1303-1316
Cambridge, Fitzwilliam Museum


Pontificale van Renaut de Bar
Detail


Getijdenboek, Maasland, 1310 – 1320
Perkament, 95 x 70 mm
Londen, British Library


Roman de la Rose, ca. 1350
Illuminator Jeanne de Montbaston
Perkament, Frans, 263 x 193 x 40 mm
Parijs, Bibliothèque Nationale de France

Psalter van Gwijde van Dampierre, Noord-Frankrijk, ca. 1270
Perkament, Latijn, 107 x 73 mm
Brussel, Koninklijke Bibliotheek

Raoul Lefèvre, Histoire de Jason, Antwerpen, ca. 1470
Perkament, Frans, 388 x 273 mm
Parijs, Bibliothèque Nationale de France

Getijdenboek van Catharina van Kleef, ca. 1440
Tempera en goud op perkament, Latijn, 192 x 130 mm
New York, The Pierpont Morgan Library

Brood bakken
in de ondermarge van
Apostel Philippus

Drôlerieën in de marge

Ik heb veel gegevens ontleend aan Les marges à drôleries des manuscrits gothiques 1250-1350 van Jean Wirth, een boek uit 2008 dat nu al als een standaardwerk wordt beschouwd.

ter lering
en
vermaak

Een drôlerie (van het Franse drôle voor 'grappig' of 'humoristisch') is een aanduiding voor de ´drollige´ voorstellingen in middeleeuwse miniaturen. Kunstenaars en ambachtslieden brachten deze karikaturale versieringen aan ter lering, maar meestal ter vermaak. Monsters in de vorm van duivels, draken en fabeldieren evenals aan de fantasie van de maker ontsproten absurde voorstellingen werden in de kantlijn van versierde manuscripten gezet, en dienden als een vorm van ´vrolijke noot´, vergelijkbaar met een komisch personage in een dramatische voorstelling.
Alle rollen worden omgekeerd: het hert jaagt op de jager, geharnaste soldaten vluchten weg voor slakken en de ezel onderwijst de Schrift. Hierdoor ontstaat een soort omgekeerde microkosmos waarin een ´tegenwereld´ vorm krijgt door een toenemende ontregeling van de normale gang van zaken.
Geestelijken, edelen, burgerij, nagenoeg alle sociale klassen worden het voorwerp van spot. De bedoeling van deze soms zeer venijnige satires is vooral plezier en vermaak scheppen: anderen tot lachen aanzetten ten koste van de medemens en van zichzelf.

parodie op
David
en
Goliath

Folio 1 tot en met folio 62 van het zogenaamde Fitzwilliam manuscript, bevatten de rituele handelingen en de daarbij horende gebeden in het geval van een kerkwijding.
In de miniatuur zien we een bisschop bezig met het besprenkelen van de ingang van een kerkgebouw. Achter hem staat de diaken met het wijwatervat, met daarachter negen monniken.
In de gehistorieerde initiaal leest de bisschop uit een boek dat een acoliet hem voorhoudt.

Op de bloemslinger in de ondermarge staat een klein konijn met een slinger tegenover een grote geharnaste ridder met wimpel met een slak als embleem, en schild, een parodie op het verhaal van de jonge David die de reus Goliath verslaat zoals verteld in 1 Samuel.

Voor de middeleeuwer was de seksuele dubbelzinnigheid van de voorstelling van een stoere ridder tegenover een klein, zacht konijn zonder meer duidelijk. In tegenstelling tot zijn huidige reputatie als knuffeldier, stond het middeleeuwse konijn voor een zedeloos beest. Connin betekent in het Oudfrans zowel konijntje als kutje. Ernst van Altena vertaalt het in de Roman de la Rose door poesje.

Monniken en nonnen komen er meestal niet al te best vanaf…

De bedelorden – dominicanen, franciscanen, karmelieten en augustijnen – hadden zich in de late middeleeuwen een slechte reputatie van inhaligheid en losbandigheid verworven. Veel satirische poëzie uit die tijd getuigt daarvan. Nonnenkloosters waren vaak verkapte bordelen.

De drôlerie op folio 38 van het Maaslands Getijdenboek wordt beschreven als franciscain raclant un soufflet avec une quenouille.
De monnik in het habijt van de franciscanen produceert dansmuziek door met een spinrokken als strijkstok op een blaasbalg te ´krassen´. De figuurlijke betekenis van het Franse woord racler is krassen op een viool.

De dansende non heeft haar habijt tot de knieën opgeschort. Net zoals jachtscènes kunnen scènes waarin muziekinstrumenten en dansen voorkomen geïnterpreteerd worden als een ´voorspel´ op de geslachtsdaad.

vrouwen als seksueel onverzadigbare wezens

Bij de uitbeelding van naaktheid kenden de middeleeuwers minder scrupules dan de latere geschiedschrijving ons wil laten geloven. De middeleeuwse kunst is in staat om zelfs moderne toeschouwers te choqueren. Orale seks, zelfbevrediging, coïtus, exhibitionisme: het is allemaal meermalen afgebeeld op de muren en de kapitelen van de zuilen van romaanse kerkgebouwen en in de marges van vrome geschriften zoals psalters en getijdenboeken.

De drôlerie met nonne ceuillant des vits, de penisplukkende non, is afkomstig uit een manuscript van de Roman de la Rose, rond 1350 verlucht door Jeanne de Montbaston, die samen met haar man in Parijs de libraire Richart, een schrijfatelier onder toezicht van de universiteit uitbaatte.

Als een moderne Eva plukt een claris ´verboden vruchten´ in de vorm van penissen van de boom.
In het Oudfrans werd een penis une pendeloche of un vit genoemd.

Voor Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, was de dubbelzinnige betekenis van de afbeelding Reinaert en Cuwaert lezen het Credo in het naar hem genoemde Psalter meteen duidelijk. Het is een van de vele verwijzingen naar sodomie onder de geestelijkheid in de dertiende eeuw.

Onder sodomie verstond de middeleeuwer, in navolging van Thomas van Aquino, elke vorm van seksuele beleving die niet op procreatie was gericht: homoseksualiteit, bestialiteit en onanie. Wie schuldig werd bevonden aan sodomie, of er zelfs maar van verdacht werd, eindigde op de brandstapel. De term sodomie is ontleend aan het verhaal van Sodom en Gomorra - hoofdstukken 18 en 19 – in het Bijbelboek Genesis.

iemand
het Credo
leren

´Iemand het credo leren´ had een seksuele bijbetekenis, in de sfeer van ontmaagden. ´Iemand kapelaan maken´ had in die tijd een homoseksuele betekenis.
´Iemand het paternoster leren, samen het psalter lezen, samen de getijden bidden´ waren gangbare uitdrukkingen voor geslachtsgemeenschap hebben, vooral gebruikt in karikaturen van monniken en nonnen, bij uitstek de groepen die zich aan het celibaat moesten houden.

apen als persiflage van menselijk gedrag

Naast vossen traden ook apen veelvuldig op als personages in antiklerikale iconografie. De aap werd algemeen beschouwd als een negatieve afspiegeling van de mens, degeneratio hominis. Zijn grappen zijn vermakelijk, maar zijn geilheid en vieze zinnelijkheid choqueren de weldenkende mens.
Veel drôlerieën met apen vallen in de categorie ´heiligschennis, godslastering´: een dame kijkt toe hoe een aap in een kelk schijt – excusez le mot – en daarna de inhoud ervan opdrinkt. Het is opvallend dat deze parodie voorkomt bij de tekst van het eucharistisch gebed in het Getijdenboek van Margaretha van Beaujeu, wat drôlerieën betreft een van de meest indecente geschriften van de middeleeuwen. Daarover meer in de lezing.

laatste bloeiperiode
Lieven van Lathem

In het werk van de vijftiende-eeuwse miniaturist Lieven van Lathem beleven de traditionele drôlerieën nog een laatste bloeiperiode.Van Lathem schittert in het voorstellen van antropomorfe wezens die alle normen van de natuurlijke wezens overtreden.
Onderwerpen van seksuele of scatologische aard (wat betrekking heeft op menselijke uitwerpselen; onderbroekenlol zeggen we tegenwoordig) zijn niet volledig verdwenen. Het zijn vooral de anale vertoningen die gebruikelijk blijven.
De ontlasting is ook nog steeds een constante. Een voorbeeld hiervan is de grote aap met een kap en de kleine aap met een brillenglas in de hand die grijnslachend naar een jonge man kijken terwijl deze zijn broek afdoet om zijn behoefte te doen.

Deze scène staat afgebeeld in de ondermarge van folio 132 recto in het exemplaar van de Histoire de Jason van Raoul Lefèvre, dat omstreeks 1470 door Lieven van Lathem verlucht werd voor de zeer devote Lodewijk van Gruuthuuse, ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Het handschrift is het meest verfijnde van de vier exemplaren met de tekst van Raoul Lefèvre die wij nog kennen.

van drôlerie naar
verhaal in de marge
naar Brugse strooirand

In De Wereld in wanorde. Aan de grenzen van de middeleeuwse marges, schrijft Bernard Bousmanne: Men dient ook rekening te houden met de opkomst, begin de jaren 1420-1430, van een nieuw genre: bijkomende afbeeldingen onderaan het blad die de taferelen, vaak door typologische verbanden, aanvullen. Zonder ze definitief te weren, hebben deze afbeeldingen ook bijgedragen tot het verbannen van de ´ongerijmdheden´ naar steeds kleinere ruimten. Onder de hoofdillustraties werden in de benedenmarge - zo goed als onafhankelijke – verhalende taferelen afgebeeld, zoals te zien in het Getijdenboek van Catharina van Kleef

Vroeg in de vijftiende eeuw werd in de Vlaamse manuscripten een randdecor met acanthusbladeren en allerlei soorten bloemen en vruchten zeer typerend. De bloemen, planten en insecten zijn realistisch weergegeven en hierdoor gemakkelijk herkenbaar. Zij lijken te zijn gestrooid op de ondergrond en worden daarom strooiranden genoemd.
Al snel schilderden de Vlaamse miniaturisten vlinders op de bloemen, er kropen rupsen tussen de knoppen door, libellen kwamen aanvliegen, en vogels streken neer op de bessen. De strooirand met trompe-l´oeil effect werd een handelsmerk van de Vlaamse handschriften. Prachtige voorbeelden zijn te vinden in het Grimanibrevier, de reus onder de Vlaamse manuscripten.

.